De Maestro. Het wankele houvast der clichés.
Clichés in de wereld van klassiek muziek en opera, wij zijn er diep in ons hart een groot liefhebber van. Our all-time favorite is de “fluwelen pianistiek”. U weet wel, die verfijnde en warme toonvorming van Grigory Sokolov, de legendarische Russische meester met zijn fabelachtige controle over klankkleur. Of de ragfijne, fluwelen, hypnotiserende aanslag van Arcadi Volodos. Aan Arthur Rubinstein en zijn Chopin kunnen wij hier natuurlijk niet voorbijgaan. Hoe bespeelde hij zijn Pleyel, die van z’n eige al van fluweel is? Het antwoord luidt: aristocratisch, zangerig en poëtisch.
Mutatis mutandis zijn operadirigenten vaak “energiek” (Lorenzo Viotti). Ze zijn eveneens niet zelden “gevoelig” (Pappano), of “ze stellen zich in dienst van de zangers” (Richard Bonynge, maar ook onze eigen Ed Spanjaard). De terminologie heeft een verankerend doel: jus heeft aardappels nodig, anders krijg je een onverteerbaar plasje vet op je bord. Inhoudelijk zeggen de afgesleten kwalificaties ongeveer evenveel als een restaurantrecensie waarin staat dat de ober “vriendelijk glimlachte”. Fijn. Maar hoe was het eten?
Wie een operadirigent echt, en uiteraard met gepaste schroom, wil beoordelen, moet een lastiger vraag stellen. Had deze maestro de partituur volledig in zijn of haar greep als “een relevant stuk muziektheater”? (Relevant stuk muziektheater: ergens gelezen.) Of werd er vooral voor gezorgd dat een gigantisch apparaat met orkest, koor en solisten zonder al te veel botsingen de eindstreep haalde?
Opera dirigeren is niet symfonisch dirigeren onder toevoeging van een paar kostuums. Uiteraard zijn de boel bij elkaar houden, ongelukken voorkomen en iedereen veilig naar het slotapplaus leiden belangrijk. Maar in de orkestbak moet muzikale relevantie voortdurend voldoen aan dramatische criteria.
Tempo, balans, articulatie, overgangen, fermates, recitatieven, orkestkleur, stiltes, het zijn geen technische details maar de bouwstenen van het drama. Een regisseur als Calixto Bieito kan een opera vanaf het toneel ruïneren. Een beroerde dirigent als Plácido Domingo sloopt haar van onderaf zoals dat hem uitstekend lukte tijdens, bij voorbeeld, zijn Walküre, Bayreuth, 2018.
Energiek
Tempo, tempo, tempo
Tempo is geen metronoom, maar dramaturgie. Tempo is de eerste toetssteen om vast te stellen met wat voor dirigent we te maken hebben. “Snel” is niet automatisch goed en “langzaam” niet automatisch slecht, om ook eens een greep in de grabbelton der gemeenplaatsen te doen. Van belang is of een dirigent aanvoelt hoe lang een muzikaal idee kan ademen, hoe lang men de band kan oppompen voordat deze klapt, en hoe snel/langzaam dat idee moet bewegen zonder dat de opgewekte emotie verandert in haastwerk.
Bij Mozart-opera’s zie je vaak twee klassieke benaderingen. Aan de ene kant de (lood)zware, (pseudo-)monumentale aanpak die een levendige dialoog verandert in een staatsbegrafenis. Te denken valt aan Otto Klemperer (de legendarische studio-opname van Die Zauberflöte, 1964 met gedragen en statige tempi, mooi eigenlijk) of aan Herbert von Karajan met zijn Don Giovanni of Le Nozze uit de jaren ’70 en ’80 met de massieve, symfonische orkestklank. Aan de andere kant zijn er de hyperactieve race-uitvoeringen van Beethoven-moordenaar Teodor Currentzis waarin alle elegantie en dubbelzinnigheid zijn verdwenen. Het maniërisme en de gekunsteldheid van zijn overgedramatiseerde interpretaties zijn uitermate vermoeiend door de constante extremen in tempo en volume.
Bij Verdi zijn de valkuilen anders: ofwel alles dendert voort als een hogesnelheidstrein zonder retorisch gewicht, ofwel iedere frase wordt zo breed uitgesmeerd dat opgeblazenheid voor grandeur moet doorgaan.
Als er al zoiets is als het juiste operatempo, dan is dat geen getal, maar een breekbare relatie tussen tekst, stem, orkest en toneel. Het is geen kwestie van naar de klok kijken, maar naar wat er op de Bühne gebeurt. Groeien ensembles vanzelf naar een climax? Brengen de cabaletta’s de gewenste gecontroleerde explosie teweeg, of wordt alleen de volumeknoop opengedraaid? Kan een lamento de tijd gevoelsmatig stilzetten zonder dat de uitvoering zelf in het niemandsland belandt?
Wanneer het tempo klopt (“kloppen” is “best wel subjectief” zullen Mensen van Nu ons voor de voeten werpen), lijken zangers ineens moeiteloos te zingen. Met de nadruk op “lijken”. Wanneer het tempo niet klopt, is het tijd voor Het Grote Compenseren. Hier te snel? Dan daar te langzaam.
Die Zau…. ber… flöte
Begeleiden betekent samen muziek maken ( voor “samen muziek maken” vinden wij te zijner tijd wel een minder kleffe formulering), en niet achter de zangers aan hobbelen. Een veelgehoord compliment luidt dat een dirigent “de zangers prachtig begeleidde”. Ook dat klinkt mooier dan het vaak is. Begeleiden betekent onzes inziens niet dat je bij elke ademhaling gehoorzaam afremt of iedere hoge noot behandelt alsof de natuurwetten tijdelijk zijn opgeschort. Operahuizen zitten vol met brave kapelmeesters die voorzichtigheid c.q. terughoudendheid verkopen als zangersvriendelijkheid. Maar het andere uiterste is evenmin aantrekkelijk: de dirigent die koste wat kost zijn eigen grootse concept wil uitvoeren en daarbij vergeet dat mensen, niet alleen zangers maar ook het publiek, de kans moeten krijgen om adem te halen. D’oprechte operadirigent doet iets veel moeilijkers. Hij creëert de omstandigheden waarin zangers maximaal expressief kunnen zijn, zonder dat de partituur uit elkaar valt. Daarom geldt opera dirigeren wel als de koningsdiscipline binnen de klassieke muziek. De operamaestro balanceert op een artistiek hooggespannen koord tussen twee fundamenteel verschillende werelden: de orkestbak en de Bühne. Hij bevindt zich diep weggestopt in een halfdonkere orkestbak, terwijl de zangers meters verderop hun rol uitvechten. Een legendarisch voorbeeld van een akoestische en fysieke nachtmerrie is de “Scena delle maschere” (Don Giovanni): Donna Anna, Don Ottavio en Donna Elvira zingen het trio “Protegga il giusto cielo”. Voor deze balscène componeerde Mozart drie verschillende on-stage orkestjes die tegelijk met het orkest in de bak spelen. Elk groepje speelt in een andere maatsoort, resp. in 2/4, 3/4 en 3/8. Tegelijkertijd lopen de solisten zingend door de feestgangers. Lekker dan! De dirigent kan niet overal tegelijk zijn. Hij moet de musici op het podium via assistenten of monitoren aansturen, de zangers in hun beweging volgen, en ondertussen ervoor zorgen dat de ritmische tandwielen in de orkestbak niet vastlopen. Een seconde aarzeling, en de polyritmische chaos de heer Mozart verandert in een onherstelbare artistieke crash. En dat moeten we met z’n allen in dit land niet willen. Daarom: gedenk Carlo Maria Giulini’s opname uit 1959 met het Philharmonia Orchestra. Of wijs ons terecht met uw favoriete dirigent uit uw woon- of verblijfplaats.
“Protegga il giusto cielo”
All’ geesteslicht, all’ wetensmacht
Er is een sympathiek, maar hardnekkig misverstand: “Wat klonk het orkest prachtig.” Prachtig als in “mooi”. Een fluwelen (!) strijkersklank, glanzende houtblazers en heroïsch koper kunnen ons, om met Herman Brood te spreken, “All’ aards geluk, all’ zonnepracht, All’ geesteslicht, all’ wetensmacht” brengen, maar ook het drama volledig ondermijnen. Opera is geen symfonisch concert met decorstukken. (Opera is overigens ook geen museum, waarmee wij de aandacht van de ruimdenkende lezer -niet bepaald onze doelgroep- trachten vast te houden.)
“Mooi spelen” kan ontaarden in een zegepraal der oppervlakkigheid. Een orkest moet vooral reageren, karakteriseren, vooruitduwen, verleiden en soms zelfs pijn doen. Als de orkestbak zichzelf interessanter vindt dan wat er op het toneel gebeurt, is er iets grondig mis. En als we Wagner uitzitten, dan is het laatste wat we (met z’n allen) willen dat er iets mis is. En dat geldt ook voor Strauss, Puccini of Bellini. Een massale orkestklant is bij Puccini soms weldegelijk op zijn plaats maar een te rijke orkestklank kan de composities van de womanizer uit Lucca ook verstikken. Strauss kan omslaan in oersaaie glitter, op de loer liggend in zijn niet te pruimen monstrum Der Rosenkavalier, een eindeloze marteling waarbij water boarding kinderspel is. En de schade die een “zwaar orkest” in belcanto kan aanrichten, is niet die van een olifant maar van een bulldozer in de porseleinkast.
De vraag is dus niet zozeer “klinkt het orkest goed”, maar “klinkt het goed voor déze opera, déze zangers en dit dramatische moment?”
De Marschallin is 40 jaar, maar zingt alsof ze 100 is. Behept met een adellijk midlife-complex.
Staart naar klokken en zucht over rimpels die er niet zijn.
Recensenten schrijven graag over aria’s en slotapplaus. Dat doen wij ook, hoewel wij graag hedendaagse parallellen signaleren, zoals met Ria Valk en Waldos de los Rios. Maar, akkoord, aria’s en slotapplaus zijn voor de hand liggende ankerpunten. Maar mogen wij nog een factor opwerpen? De intelligentie van een dirigent, die hoor je tussen welkomst- en slotapplaus in, die hoor je tussen de aria’s in. Hoe bouwt een scène zich op vóór een entree? Hoe blijft de spanning leven tijdens een decorwissel? Hoe promoveert een openbare confrontatie ongemerkt naar een intieme bekentenis?
Opera sterft wanneer deze “ontaardt” in een pasticcio, een operavoorstelling die volledig wordt samengesteld uit reeds bestaande aria’s, koren en muziekstukken van verschillende opera’s en componisten, hoezeer wij ook gesteld zijn op dit operagenre: 45 minuten voor de pauze, 30 minuten na de pauze, en dan bier met bitterballen in een belendende horeca-achtige ruimte.
Opera voor Mensen van Nu. Relevant, actueel, schurend en urgent.
Het merk “dirigent”
Operahuizen zijn er gek op, compleet met glamoureuze foto’s uit de fitnessruimte, heroïsche interviews en veelbelovende teksten over een “unieke visie”. Een unieke stijl zou men ook kunnen beoordelen op grond van articulatie, frasering, dansritmes, rubato e tutto questo en vooral op grond van de manier waarop muziek en taal samenvallen. De Italiaanse opera zonder acume verbale (verbale scherpte) wordt behang. Duitse opera (allen: “wat is dat, Duitse opera?”) zonder harmonische spanning wordt beton. Franse opera zonder elegantie verandert in een Amsterdams gemeenteloket.
Een Olympische sport
Dirigeren? Dat is een olympische sport! Er wordt gehurkt, gesprongen, gezweet, gezwaaid en dramatisch naar koperblazers gewezen. Allemaal prachtig voor de eerste rij. Maar Lorenzo Viotti en Gustavo Dudamel produceren met hun gebrek aan spiercontrole geen enkele noot. Kijk liever naar het toneel. Zingen de solisten (min of meer) ontspannen? Reageren ensembles alert op elkaar? Klinkt het koor alsof het werkelijk onderdeel is van het drama? Vallen de muzikale impulsen precies samen met wat er op het toneel gebeurt?
Losse effecten, mooie scènes, indrukwekkende climaxen, veel lawaai — maar op de weg naar de uitgang vraag je je af waarom de avond toch zo vreemd leeg aanvoelde. Neemt niet weg dat wij in principe compassie met de dirigent dienen te voelen. Veelal krijgt de dirigent de ondankbare taak om een regie te redden die met de opera ongeveer dezelfde relatie heeft als een abstract schilderij met een verkeersbord. Soms lukt dat. Vaker krijg je twee voorstellingen tegelijk. Beneden speelt de partituur één verhaal. Boven zorg een rutspitsige regisseur voor de deemstering van het gemoed via een geheel ander verhaal. Meestal over een gierige kapitalist die tegen de pui staat te pissen om een hond uit te sparen. Een dirigent is niet verantwoordelijk voor al dat scenische hoetelwerk. Maar hij moet wel de muzikale waarheid ( Quid est veritas? ) verdedigen.

Een dirigent kan een magistrale tweede akte dirigeren en toch de grote spanningsboog missen. Die wijsheid hebben wij van een vriend, want wij moeten u bekennen dat wij geen expert zijn op het gebied van spanningsbogen; zelf nog nooit geconstateerd of gemist.
Een andere dirigent kan een complete avond schitterend opbouwen, maar worstelen met één solist, bijvoorbeeld Doris Soffel, of een vermoeid koor. Daarom zijn kwalificaties als “nauwkeurig,” “energiek,” en “ondersteunend” eigenlijk niet meer dan etiketten. De essentiële vraag blijft verrassend eenvoudig: laat deze dirigent de partituur als levend drama ontstaan? Luister niet naar het applaus. Kijk niet naar de celebrity-status. En geloof vooral de marketing niet; dat is in Amsterdam geen lastige opgave want bij DNO zijn de marketingteksten volkomen onbegrijpelijk.
Luister of de voorstelling een gevoel van onvermijdelijkheid opwekt. Dan is u getuige van opera.
Olivier Keegel
