Het conceptuele rariteitenkabinet
De intellectuele luiheid van het regietheater
Een sopraan bezingt haar eer (in een opera van vóór 1900 uiteraard), haar ondergang of haar alles verterende liefde. Achter haar staat een koelkast. Of ze zingt haar deuntje in een supermarkt. Of voor een betonnen muur waarop een beveiligingscamera het publiek bespiedt, terwijl ergens een clown verdrietig een banaantje oppeuzelt. De muziek is dezelfde, het libretto is hetzelfde, maar de opera zelf is onderweg verongelukt.
Dat is de truc van het regietheater. De partituur wordt niet veranderd, de woorden blijven intact, maar de context wordt zo grondig verbouwd dat het publiek niet langer een Tosca of Rigoletto bijwoont, maar een TED Talk (Technology, Entertainment, Design ) van de regisseur. Opera in disguise.
Dit appel du vide heeft niets te maken met modern versus ouderwets. Het is eerder een langdradige inleiding tot “Mag ik mijn hoed en mijn jas?” Hoe oneindig snobistisch moet je zijn om je gezicht in de plooi te houden bij een dergelijk hoetelwerk, bedacht door schobbejakken die denken dat een machinegeweer automatisch diepzinniger is dan een degen. Opera is geen Lego-bouwpakket waarbij je decor, tijdperk en personages willekeurig kunt samenstellen en invullen. Muziek, tekst en drama vormen een fragiel evenwicht. Trek één steen weg uit een hecht doortimmerde opera, en we hebben een nieuw 9/11.
“Artistieke discipline”, je kunt het met deze achteloos opgeworpen term regisseurs niet benauwder maken. Een componist heeft jarenlang, of een mensenleven of twee weken, gezwoegd op een werk, een librettist heeft elk woord gewogen, en vervolgens verschijnt er een kreupeldenker met een narcistische persoonlijkheidsstoornis die meent dat Il trovatore eigenlijk over hedgefondsen gaat en Parsifal over een collectief jeugdtrauma bij het personeel van een frikandel-chips-pizza distributiecentrum.
Dat heet dan “een gedurfde visie”. Met de positieve grondhouding die ons eigen is, komen wij niet verder dan “een schitterend ongeluk”, maar het is natuurlijk niet meer dan een pijnlijk en fataal misverstand.
De verminking begint bij de setting
Verplaats Rigoletto naar een directiekamer en je verandert niet alleen het behang. Je sloopt een complete historische sociale wereld. Rang, eer, religie, hofetiquette, publieke vernedering: het zijn geen accessoires die je even vervangt door laptops en espressoapparaten. Toch gebeurt het voortdurend. Don Giovanni in een hotel. Carmen in een autofabriek. Aida in een vluchtelingenkamp. Norma in een psychiatrische inrichting. Het zijn inmiddels geen verrassingen meer, maar obligate stations op de route van de Conceptuele Intercity. De reis eindigt steevast bij een programmaboekje waarin de dramaturg uitlegt (in geval van DNO: tracht uit te leggen), waarom de hele poppenkast “urgenter is dan ooit, juist nu!”. Dezelfde zin stond er vorig seizoen ook al. En hhet seizoen dáárvoor.

Ironie als duizenddingendoekje
Het moderne regietheater reageert bijna allergisch op oprechtheid. Wanneer muziek ontroert, komt er een clown in beeld. Wanneer een personage in gebed verzonken is, staat er iemand te stofzuigen. Wanneer de componist stemmigheid, statigheid of solemniteit nastreeft, sleept de regisseur er ironie bij: een kleuter die een rotje in een bruidstaart stopt.
Ironie is het duizenddingendoekje van de hedendaagse regie. Handig, veelzijdig en vooral populair bij mensen die hun Morgenmuffeligkeit tot levensmotto hebben gemaakt en niet meer geloven dat het woord “schoonheid” zonder aanhalingstekens kan worden geschreven.
Maar geforceerde ironie verklaart hier niets. Ze relativeert. Ze ondermijnt. Ze grijnst. En na drie uur grijnzen verzucht het operalievend deel van het publiek “Gott! welch Dunkel hier!”

Het libretto is geen vrijblijvende suggestie
Een van de vermoeiendste mantra’s luidt dat opera “relevant” moet zijn. Relevant voor wie? Voor iemand die een acute aanval van Weltanschauungs-vernauwing krijgt bij het aanschouwen van een historisch decor? Voor een recensent die het woord “gedurfd” of “ontregelend” al heeft opgeschreven voordat de eerste noot klinkt en AI instrueert om steeds een nieuwe versie te maken van zijn jaren geleden geschreven Spanga-recensie ? (Publieksreactie Spanga: “Dank aan allen voor een mooie en relevante opera!!” De ziel.)
Opera is sui generis relevant. Jaloezie, liefde, macht, verraad, schuld en wraak hebben de hardnekkige gewoonte nooit uit de mode te raken. Componisten wisten dat. En ze schreven meesterwerken in plaats van pezeweverige opiniestukken.
Wie denkt dat operacomponisten eerst door een hedendaagse ideologische wasstraat moeten, heeft van hun kunstenaarschap weinig begrepen, en beschouwt Mozart, Verdi of Wagner als nuttige idioten die voor de muzikale omlijsting van hun eigen pseudologia fantastica zorgen.
Een pijnlijk misverstand
Kritiek op regietheater krijgt niet zelden het etiket “conservatisme” opgeplakt. Gemak dient de mens. Inhoudelijke repliek? Afwezig! Men komt niet verder dan “opera is geen museum”. (klik op blauwe link) De termen “modern” versus “traditioneel” zijn al evenmin van toepassing. De vraag is of een regie de innerlijke logica van het werk respecteert. Wanneer een regisseur die logica begrijpt, kan ook een sobere of abstracte enscenering overtuigen. Maar wanneer “het concept” belangrijker wordt dan het werk, verandert opera in een spiegelpaleis van ijdelheid. Dan kijkt het publiek niet meer naar een opera van Verdi of Puccini, maar naar het broddelwerk van een narcistische persoonlijkheid die tegen de pui staat te pissen om een hond uit te sparen. De regisseur die, gewapend met clown, koelkast en traumatische jeugdherinnering, meent het weer eens beter te weten.

Intellectuele luiheid, vermomd als “actueel, urgent en ontregelend”
Misschien is dát wel ouderwets, althans iets van alle tijden: de neiging om andermans meesterstuk te gebruiken als decor voor het eigen ego. Voor elke operaregie geldt (behalve misschien tijdens de Feestweek van Psychiatrisch Centrum voor Zorg & Groei) dat de muziek vastligt (nuanceer dit in uw vrije tijd), en voor het libretto geldt: het is geschreven zoals het is geschreven en zou integraal gerespecteerd moeten worden.
Operaregisseurs hebben een “probleem” waar toneelregisseurs alleen maar van kunnen dromen: de muziek ligt vast. En die muziek is geen achtergrondbehang, maar de ruggengraat van het werk. Libretto, partituur en toneelbeeld vormen samen de Trias Operatica. Dat was al het uitgangspunt van Wagners Gesamtkunstwerk, dat ooit gold als artistieke vooruitgang en niet als uitnodiging tot conceptuele vandalisme.
Sommige regisseurs gedragen zich alsof een opera niets anders is dan grondstof voor hun eigen therapie. Ze kunnen de noten niet veranderen, dus sleutelen ze aan tijd, plaats en daarmee aan betekenis. In plaats van Holländers spinsters verschijnen schoonmaaksters, soldaten worden bankiers en Don Giovanni verandert van verleider in een roofdier.
De botsing tussen wat je hoort en wat je ziet, de botsing tussen tekst en toneelbeeld, Mensen van Nu nemen er met een Mark Rutte-achtige glimlach kennis van. Wij kijken daar doorheen ! Het orkest schildert verliefdheid, het toneel toont mishandeling. Verdomd interessant. Mozart componeert verleiding, de regisseur levert een politieverhoor. Wij zien wel hoe de vork in de steel zit, nietwaar Jean-Paul?
Verdi schreef op 1 juni 1894 aan zijn uitgever Giulio Ricordi: „Ik heb er geen probleem mee als mijn opera’s niet worden uitgevoerd; maar als ze wel worden uitgevoerd, verlang ik dat het zo gebeurt als mij voor ogen stond.“
Olivier Keegel
