Beeldenstorm in de opera
De culturele sloophamer: de Beeldenstorm en het eigentijdse regietheater
In het jaar 1566 trok een golf van onverlatige vernielingen door de Lage Landen. Gewapend met hamers, beitels en touwen betraden groepen ketters en opgetrommelde burgers de eeuwenoude kathedralen en kerken. Heiligenbeelden werden van hun sokkels getrokken, altaren verbrijzeld en fresco’s haastig onder een dikke laag witkalk aan het oog onttrokken. Hoewel de drijfveren oorspronkelijk theologisch en politiek van aard waren was het directe resultaat een verschroeide aarde van artistiek erfgoed. De sektarische schobbejakken leefden in beestelijke onverschilligheid hun iconoclastische instincten rauw en hittig uit. Wanneer deze schijnheilige protestante kapellenvangers eenmaal tot stuitende uitbundigheid vervallen, zijn zij rücksichtslos in hun schedelmetende hypocrisie. Hoed je dan maar!
Ruim viereneenhalve eeuw later bevindt de operabezoeker zich in een situatie die een verontrustende gelijkenis vertoont. Wie vandaag de dag een operagebouw betreedt voor Mozart, Verdi of Wagner -things to restore the ego- wordt schaamteloos beroofd van de historische, muzikale en artistieke integriteit van het oorspronkelijke meesterwerk. In plaats daarvan domineert het destructieve ‘Regietheater’, een totalitaire stroming waarin de regisseur zichzelf niet langer beschouwt als de dienaar van partituur en libretto, maar optreedt als de megalomane dictator. Een stuk bramenplukkerig besoenje! In de drang naar radicale deconstructie schuilt een modern, sub-intellectueel iconoclasme. Hoewel de fysieke instrumenten zijn veranderd -de ijzeren hamer is vervangen door pretentieuze hupsafladder, de beitel door een ernstige vorm van pseudologia fantastica- vertonen de Beeldenstorm en het huidige Regietheater een diepe, structurele overeenkomst in hun artistieke galgenbrokkige barbaarsheid: beide bewegingen offeren het kunstwerk op aan een dwingende ideologische agenda en snijden de historische continuïteit rücksichtslos door.

Om de kern van deze gedeelde barbaarsheid te begrijpen, moet men kijken naar het fundamentele wantrouwen jegens het bestaande kunstwerk. De zestiende-eeuwse beeldenstormers handelden vanuit de overtuiging dat het religieuze beeld corrupt en misleidend was. Het beeld vormde in hun ogen een barrière tussen de mens en de pure waarheid. Een analoge achterdocht kenmerkt de dogmatische, rutspitsige regisseur van “De Hedendaagse Opera”. De klassieke partituur of de beoogde operavorm wordt nu niet langer gezien als een monument van menselijk inzicht dat in zijn eigen waarde gelaten moet worden, maar als een verdacht document. Het moet met rancuneuze achterdocht worden benaderd en hardhandig worden gezuiverd van zogenaamd anachronistische waarden, of juist met brute kracht worden ingezet om de banale dogma’s van het heden te bevestigen. Schabouwelijk !
Vermodderde vlakdenkers
Wanneer een vermodderde vlakdenker besluit om een verheven klassiek meesterwerk te situeren in een ranzig kantoorpand of een openbaar toilet, de sublieme muzikale spanning te overschreeuwen met provocaties en de diepe existentiële tragiek te reduceren tot een eenduidig pamflet over actuele politiek, dan vindt er een artistieke onthoofding plaats. Dit intellectuele vandalisme wordt tastbaar in de groteske ensceneringen van gevierde iconoclasten als Calixto Bieito, die Mozarts geniale Don Giovanni degradeerde tot een walgelijke, door drugs en seks geobsedeerde bendeoorlog in een achterbuurt. Of denk aan Hans Neuenfels, die in zijn infame Bayreuth-productie Wagners mystieke en verheven Lohengrin besmeurde door het operakoor rücksichtslos te muteren tot een hysterische populatie van reusachtige laboratoriumratten.
In beide historische perioden weigert geeft de actor niets om het kunstwerk in zijn eigen soevereine vorm; het werk moet onvoorwaardelijk buigen voor de dictaten en de waan van de dag. The animals are running the Zoo. In beide historische perioden eindt een daad van pure, sadistische deconstructie plaats die de intrinsieke waarde van het object ontkent dan wel tot object van blinde woede maakt.
Een tweede parallel is de algehele nivellering van complexiteit ten gunste van een eenduidige monocultuur. De Beeldenstorm verving de gelaagde, zintuiglijke en mystieke symboliek van de middeleeuwse traditie door de kale, rationele en uitsluitend tekstgerichte soberheid van het vroege protestantisme. Het ondoorgrondelijke mysterie moest wijken voor de morele les.
Het Regietheater voltrekt een soortgelijke intellectuele kaalslag op het operapodium. Waar klassieke operameesterwerken uitblinken door hun diepe emotionele en morele ambiguïteit, waarin goed en kwaad, liefde en destructie dikwijls onontwarbaar met elkaar verbonden zijn, dwingt het moderne Regietheater de toeschouwer in een strak, infantiel moreel keurslijf.
Cultuurmarxistische propaganda
Complexe personages worden in de hedendaagse operapraktijk vaak gereduceerd tot eenduidige karikaturen van politieke standpunten. De enscenering transformeert in een visueel kladblok waarin de regisseur het publiek expliciet en hautain voorkauwt wat de correcte ideologische houding is ten aanzien van moderne maatschappelijke vraagstukken. Deze reductie van verheven kunst tot louter platte, dikwijls versluierde cultuurmarxistische propaganda is een extreme vorm van intellectuele barbaarsheid. Het berooft de opera van haar louterende, transcendente en spirituele functie en vervangt de gelaagde esthetische ervaring door een agressieve vorm van seculiere moraalprediking. Net zoals de beeldenstormers de rijk gedecoreerde kerken transformeerden tot kale dystopische spookhuizen, zo transformeert het extreme Regietheater de operazaal tot een morele rechtbank waar de artistieke nuance sterft.

De mangel van de modernisering
Daarnaast getuigen beide fenomenen van een mateloze, stuitende arrogantie en agressie ten opzichte van het verleden. De beeldenstormers meenden dat zij, na eeuwen van vermeend dwalen, de enige ware interpretatie van de werkelijkheid in pacht hadden. De tradities van generaties kunstenaars, denkers en ambachtslieden werden in een oogwenk als waardeloos of schadelijk gecategoriseerd. Deze chronologische arrogantie viert ook in de hedendaagse operapraktijk hoogtij. Binnen de theatrale avant-garde heerst het hardnekkige, dictatoriale dogma dat een klassiek stuk pas ‘relevant’ (ook wel: ‘urgent’ of ‘desoriënterend’) kan zijn wanneer het door de mangel van de modernisering en deconstructie is gehaald. Dit impliceert het paternalistische en beledigende vooroordeel dat het moderne publiek niet in staat is om de universele menselijke conditie en het muzikale genie te begrijpen, tenzij deze worden gepresenteerd in de modieuze, vergankelijke vormen van de eigen tijd. De heilige band met het verleden, die via de getrouwe uitvoering van klassieke meesterwerken levend moet worden gehouden, wordt hiermee doelbewust en kwaadaardig doorgesneden.
Men werpt vaak tegen dat opera een vluchtige podiumkunst is en dat deze vergelijking mank gaat omdat er geen fysieke objecten onherstelbaar worden vernietigd. Een partituur blijft immers ongeschonden in de bibliotheek liggen, terwijl een verbrijzeld zestiende-eeuws beeld voorgoed verloren is. Deze naïeve tegenwerping miskent echter de institutionele en culturele ravage van de moderne operapraktijk. Wanneer de canon op de grote, met miljoenen aan belastinggeld gesubsidieerde operapodia structureel en exclusief wordt gecastreerd en gedeconstrueerd, verdwijnt de levende traditie uit het publieke bewustzijn. De vernietiging is in dit geval niet materieel, maar conceptueel, spiritueel en (non-)educatief. Het publiek verliest de toegang tot zijn eigen culturele en muzikale wortels, omdat de instituten die deze wortels moeten beschermen en cultiveren, hebben gekozen voor een permanente, gesubsidieerde beeldenstorm. Het is een sluipende, institutionele vorm van cultural cleansing.

Narcistische drang naar originaliteit
De gedeelde barbaarsheid van Beeldenstorm en Regietheater schuilt in de totalitaire overtuiging dat het ideologische doel de destructieve middelen heiligt. Voor de zestiende-eeuwse beeldenstormer was het (aanvankelijke) doel de religieuze zuiverheid; voor de hedendaagse operaregisseur is het de “maatschappelijke urgentie” of de dwingende, narcistische drang naar originaliteit. In beide gevallen leidt dit tot een brute, diep respectloze omgang met datgene wat door generaties voor hen met genie, zorg en toewijding is opgebouwd. Het kunstwerk wordt niet langer gerespecteerd als een autonoom doel in zichzelf, maar misbruikt als een willoos instrument voor de eigen profilering.
Concluderend is het moderne Regietheater in veel opzichten de intellectuele erfgenaam van de 16e-eeuwse iconoclasten. Beide bewegingen wortelen in een radicale bekeringsdrang, een diep wantrouwen jegens overgeleverde vormen en een absolute, rücksichtslose bereidheid tot destructie om het eigen dogmatische gelijk te forceren. Waar de beeldenstormers de fysieke dragers van de cultuur vernielden, tast het radicale Regietheater de spirituele en muzikale essentie van de operatraditie aan. Zolang de operapraktijk vasthoudt aan deze deconstructieve vernielzucht, blijft het een voortzetting van de Beeldenstorm met andere middelen: een hardnekkige, brutale weigering om kunst in haar ware, ongeschonden gedaante te laten spreken. Dit hedendaagse regietheater is dan ook geen verrijking, maar een ijskoude culturele liquidatie; het is de definitieve, schaamteloze triomf van de artistieke vandaal over het onsterfelijke genie van de componist.
Olivier Keegel
